Blog

Het nieuwe leren

In Europa waren de bibliotheken van de pas gestichte universiteiten – samen met die van de kloosters – tot in de late Middeleeuwen de belangrijkste centra voor de studie van boeken; boeken waren duur en onbetaalbaar voor iedereen, behalve voor enkele welgestelden. In de 13e, 14e en 15e eeuw ontstonden er echter particuliere boekenverzamelingen. Filips de Goede, hertog van Bourgondië, en de Franse koningen Lodewijk IX en Karel V (die beschouwd kan worden als de stichter van de Bibliothèque du Roi, die later de Bibliothèque Nationale in Parijs werd) waren grote verzamelaars, evenals kerkvorsten als Richard de Bury, bisschop van Durham (geb. 1345), die een beroemd boek schreef waarin hij het boek prees, de Philobiblon (De liefde voor het boek; voor het eerst gedrukt in Keulen, 1473). Maar nieuwe culturele factoren – waaronder de groei van de handel, het nieuwe leren van de Renaissance (dat gebaseerd was op nieuw ontdekte klassieke teksten), Johannes Gutenbergs uitvinding van een drukpers met beweegbare letters, en een aanzienlijke uitbreiding van het alfabetisme onder leken – breidden

de kring van boekverzamelaars uit tot rijke kooplieden wier bibliotheken kruidenboeken, wetboeken en medicijnen, en getijdenboeken en andere devotionele werken bevatten. Italiaanse humanisten, zoals Petrarca en Giovanni Boccaccio, zochten en kopieerden manuscripten van klassieke geschriften (zoals die van Cicero en Tacitus) om hun wetenschappelijke bibliotheken op te zetten. De geleerden Niccolò Niccoli (bibliothecaris van Cosimo de’ Medici, de 14e-eeuwse heerser van Florence en een groot mecenas) en Gian Francesco Poggio Bracciolini deelden dit enthousiasme voor de klassieken en plunderden Europa en het Midden-Oosten op zoek naar manuscripten van de schrijvers van Griekenland en Rome. Opmerkelijke verzamelingen van boeken werden ook buiten Italië gemaakt (hoewel Florence het centrum van de opkomende boekhandel bleef): door Diane de Poitiers, maîtresse van Hendrik II van Frankrijk; door Jean Grolier, een hoge Franse ambtenaar en diplomaat, die een groot beschermheer van boekbinders was; door John Tiptoft, graaf van Worcester; door Hendrik VII en Hendrik VIII van Engeland; en door vele anderen.

Op basis van de bibliotheek van Niccoli richtte Cosimo de’ Medici in Florence de Biblioteca Marciana op in het klooster van San Marco. Ook de rijke bibliotheek van Lorenzo de Magnifieke, kleinzoon van Cosimo en een nog grotere mecenas van geleerdheid en kunst, werd een openbare bibliotheek. Zij werd in 1571 geopend in een fraai gebouw, ontworpen door Michelangelo, en bestaat nog steeds als Biblioteca Laurenziana (hoewel zij in 1808 met de Marciana werd samengevoegd tot de Biblioteca Medicea-Laurenziana [Mediceaans-Laurentijnse bibliotheek]). In deze periode werden ook vele andere vorstelijke bibliotheken opgericht, waaronder die van Matthias I (Matthias Corvinus) van Hongarije en de bibliotheek van het Escorial in Madrid (gesticht in 1557), gebaseerd op de collecties van Filips II. Ook de Vaticaanse bibliotheek dateert uit deze tijd.

Gevolgen van de reformatie en godsdienstoorlogen

In Engeland kwam het einde van de kloosterbibliotheken in 1536-40, toen de religieuze huizen door Hendrik VIII werden opgeheven en hun schatten werden verspreid. Er werden geen georganiseerde stappen ondernomen om hun bibliotheken te behouden. Nog grootschaliger vernietiging vond plaats in 1550: Hendrik VIII en Edward VI schaarden zich achter de “nieuwe leer” van de humanisten; en de universiteits-, kerk- en schoolbibliotheken werden gezuiverd van boeken die de “oude leer” van de Middeleeuwen belichaamden. De verliezen waren niet te overzien. Tijdens Elizabeths bewind namen de aartsbisschop van Canterbury, Matthew Parker, en Elizabeths belangrijkste adviseur, William Cecil, echter het voortouw bij het zoeken naar en verwerven van de verspreide manuscripten. Veel andere verzamelaars waren ook actief, waaronder Sir Robert Cotton en Sir Thomas Bodley. Het resultaat was dat een aanzienlijk deel van de bibliotheken die bij de afschaffing waren verspreid, tegen 1660 opnieuw waren samengebracht in collecties – die van Parker ging uiteindelijk naar het Corpus Christi College in Cambridge; die van Cotton naar de bibliotheek van het British Museum, die nu deel uitmaakt van de British Library; en die van Bodley om de Bodleian Library in Oxford te vormen.